Waarom het kapitalisme ons nodig heeft om religieus te blijven?
De persistentie van het heilige: van homo religiosus tot mondiaal kapitalisme
Voor de godsdiensthistoricus Mircea Eliade kan de mens niet volledig worden begrepen als homo sapiens — de denker — maar als homo religiosus: degene die op zoek is naar zin, geleid door het heilige. Deze dimensie beperkt zich niet tot georganiseerde religies of het geloof in goden, maar doordringt de menselijke geschiedenis als een essentiële behoefte: het creëren van symbolen, het construeren van stichtende verhalen, het deelnemen aan rituelen die de banaliteit doorbreken en het dagelijks leven verbinden met iets dat het overstijgt.
De homo religiosus bewoont een wereld die gescheiden is tussen het profane — de chaos, de herhaling, het zinloze — en het heilige — dat wat orde, oriëntatie en waarde geeft—. Hij laat zich niet alleen leiden door de rede, maar door de mythische herinnering, de rituele herhaling en de identificatie met voorbeeldige modellen. Hij herkent ruimtes vol symbolische kracht, gewijde tijden, handelingen die niet zomaar worden verricht, maar omdat ze verwijzen naar een diepe oorsprong. Voor Eliade blijft deze structuur zelfs bestaan in moderne maatschappijen die zichzelf seculier noemen: het heilige verdwijnt niet, het verandert eenvoudigweg van vorm.
Daarom is het niet voldoende om onszelf te definiëren als homo sapiens. Denken is niet genoeg als die gedachte niet wordt ondersteund door een horizon van betekenis. Zelfs wanneer het dominante discours ons vertelt dat we niet langer geloven, dat we rationeel en modern zijn, organiseren we ons leven nog steeds rond symbolen, rituelen en totaliserende narratieven. En als we dat niet doen via traditionele religies, dan doen we het — met evenveel vurigheid — via politieke ideologieën, economische systemen of consumptieculturen. Het religieuze, als een diepe ervaringsstructuur, blijft bestaan.
Westers kapitalisme: de religie van het zelf
In westerse kapitalistische maatschappijen is religie niet gestorven: het is geabsorbeerd en gerecycled door de markt. Waar vroeger goden waren, zijn er nu merken. Waar tempels waren, zijn er nu winkelcentra. De oude liturgieën zijn vervangen door geritualiseerde consumentenevenementen (Black Friday, uitverkoop), en de oude geboden door beloften van zelfrealisatie. De structuren die door Eliade zijn beschreven — mythe, symbool, ritueel, heilige tijd — zijn er nog steeds, maar getransfigureerd.
De dominante mythe is die van de succesvolle ondernemer, het individu dat door inspanning, talent en doorzettingsvermogen “zichzelf maakt”. Een verhaal van persoonlijke verlossing, ondersteund door een systeem dat individuele vrijheid predikt als hoogste waarde, hoewel die vrijheid in de praktijk diepgaand wordt geconditioneerd door klasse, geslacht, ras of geboorteplaats. Het symbool is niet langer het kruis of de mandala: nu is het het merk (Tesla, Nike, Apple). Succes hebben wordt een teken van verlossing, van het bereiken van dat moderne paradijs waar alles mogelijk en alles geoorloofd is.
Het huidige archetype is de charismatische ondernemer, de visionaire CEO, de lifestyle-“influencer”. Deze figuren fungeren als rolmodellen, vaak met bijna messiaanse trekken. Rituelen zijn ook aanwezig: consumeren, produceren, zichzelf tonen, delen. Het dagelijks leven wordt georganiseerd als een keten van symbolische handelingen: van de ochtendkoffie tot de geleide meditatie in een app, van de lichaamsverering in de sportschool tot de race om likes op sociale netwerken. “Tijd is geld”, en het heden wordt beleefd als een overgang naar een toekomst die altijd wordt beloofd maar nooit helemaal komt. Sociale netwerken, met hun algoritmen die beeld en exposure belonen, worden de nieuwe altaren waar het zelf wordt opgeofferd om goedkeuring, zichtbaarheid en verbondenheid te ontvangen.
En wat blijft er over van sociaal welzijn? Van persoonlijke vervulling? Op theoretisch vlak belooft het liberale kapitalisme welvaart voor iedereen. Elk individu zou de mogelijkheid moeten hebben om zo ver te komen als het wenst, en de staat zou een minimum aan voorwaarden moeten garanderen om dit te laten gebeuren. Maar de realiteit is minder rooskleurig: wat vaak wordt gepresenteerd als vrijheid is niets meer dan zelfuitbuiting vermomd als autonomie. Het hedendaagse individu moet zichzelf constant opnieuw uitvinden, verkopen, overtreffen, zonder vangnet. De cyclische economische crises, de toenemende ongelijkheid, de ecologische ineenstorting en de verslechtering van de geestelijke gezondheid maken duidelijk dat deze “religie van het zelf” even veeleisend — en even wreed — kan zijn als elk theocratisch systeem.
Welzijn wordt gereduceerd tot wat de markt toelaat. Als je kunt betalen, krijg je toegang. Zo niet, dan geeft het systeem je het gevoel dat het jouw schuld is, dat je niet hard genoeg hebt gewerkt. Het beloofde paradijs is altijd een stap verder. En dat is genoeg om de cultus gaande te houden.
China: de mythe van de terugkeer naar het centrum van de wereld
Tegenover deze religie van individueel verlangen die alles fragmenteert, presenteert het hedendaagse Chinese kapitalisme een totaal andere logica: een religie van orde, geworteld in een collectief verhaal. In het centrum daarvan staat een krachtige mythe: de terugkeer van China naar zijn rechtmatige plaats als as van de wereld. Dit idee, diep geworteld in het nationale bewustzijn, wordt gevoed door een historische wond: de zogenaamde eeuw van vernederingen.
Tussen het midden van de 19e eeuw en de eerste helft van de 20e eeuw werd China geplunderd, binnengevallen en onderworpen door buitenlandse mogendheden. Het Britse Rijk, Frankrijk, Duitsland, Rusland, Japan en later de Verenigde Staten, legden ongelijke oorlogen, misbruik makende verdragen en gebiedsoverdrachten op, zoals in het geval van Hong Kong. De Opiumoorlogen, de met geweld opgestelde vredesverdragen, de buitenlandse invloedssferen en de brute Japanse invasie tijdens de Tweede Wereldoorlog, ontwrichtten het politieke en symbolische lichaam van het land. Die reeks vernederingen werd niet vergeten: ze werd omgevormd tot een stichtingsmythe van de nationale wedergeboorte.
De Chinese Communistische Partij heeft deze wond niet verloochend, maar geïntegreerd als de symbolische basis van haar legitimiteit. Haar discours draait niet om individuele vrijheid, maar om het herstel van een verloren grandeur. De markt staat niet ten dienste van het individu, maar ten dienste van de staat en het beschavingsproject. Economische welvaart is geen belofte van persoonlijke vervulling, maar een instrument om de centrale plaats te heroveren die China, volgens het officiële verhaal, nooit had mogen verliezen. Individuele vervulling heeft alleen zin voor zover die bijdraagt aan het collectieve lot: dat China zijn plaats als centrum van de wereld herovert.