Waarom eindigt alles in een meme?

Waarom eindigt alles in een meme?

De meme als synthese van het denken

Wanneer we het woord “meme” horen, denken we vaak aan grappige afbeeldingen, ironische zinnen en korte opmerkingen die razendsnel rondgaan op sociale media. Het idee van een meme is echter ouder dan het internet en zelfs dan de digitale cultuur. Het werd bedacht door evolutionair bioloog Richard Dawkins in 1976, in zijn boek The Selfish Gene, en de reikwijdte ervan ging veel verder dan humor of viraliteit.

Dawkins probeerde uit te leggen hoe bepaalde ideeën, overtuigingen of gewoontes zich verspreiden op een vergelijkbare manier als genen. Daarom introduceerde hij het begrip “meme”, afgeleid van het Griekse mimeme (“dat wat wordt geïmiteerd”), als de kleinste eenheid van culturele overdracht. Dit kon een melodie zijn, een spreekwoord, een techniek, een gewoonte, zolang aan één essentiële voorwaarde werd voldaan: het moest reproduceerbaar zijn. Maar nog belangrijker: de meme, net als het gen, probeerde niet alleen te blijven bestaan, maar ook zichzelf te repliceren, zelfs ten koste van het welzijn van de drager, als dat zijn overleving garandeerde. Het was, in darwinistische termen, een egostructuur.

Opmerkelijk is dat deze theorie ontstond in een wereld zonder netwerken, zonder smartphones, zonder instant messaging. Toch anticipeerde het voorgestelde model van symbolische besmetting op wat decennia later alomtegenwoordig zou worden: de logica van culturele viraliteit. De versnelde verspreiding van minimale ideeën, die zich door hun symbolische of affectieve kracht kunnen voortplanten, zonder dat ze inhoudelijke diepgang nodig hebben.

In dat kader is de digitale meme geen afwijking, maar een logische mutatie. Wat nu circuleert in de vorm van bewerkte beelden, korte teksten of filmpjes van enkele seconden, volgt diezelfde replicatieve logica. Het gaat om compacte symbolische eenheden, gemakkelijk overdraagbaar, emotioneel gecodeerd, waarvan het succes ligt in hun vermogen om gedeeld en gehercontextualiseerd te worden zonder hun effectiviteit te verliezen.

Natuurlijk zijn er belangrijke verschillen. Dawkins dacht niet aan humor, noch aan het vluchtige, noch aan de visuele codes die nu kenmerkend zijn voor memes. De oorspronkelijke bedoeling was om culturele persistentie en mutatie te verklaren vanuit een evolutionair perspectief. De hedendaagse meme is daarentegen diep verweven met popcultuur, met ironisch commentaar, met linguïstisch en visueel spel.

Toch is er een structurele continuïteit: de meme blijft een minimale, uiterst besmettelijke idee die zich niet verspreidt vanwege haar waarheidsgehalte of diepgang, maar door haar vermogen om zich in de collectieve verbeelding te verankeren en zich snel te repliceren.

In deze economie van het gecomprimeerde teken functioneren memes tegenwoordig ook als effectieve mechanismen om aandacht te trekken. In een omgeving vol prikkels weten ze de volgorde te onderbreken, een pauze in te lassen, ergens de aandacht op te vestigen. Hun waarde ligt niet alleen in wat ze zeggen, maar in hoe en wanneer ze het zeggen. Ze onderbreken, benadrukken, provoceren.

Het onderdrukte en de grap: het concept Witz bij Freud

In 1905 publiceerde Sigmund Freud De grap en haar relatie tot het onbewuste, een tekst waarin hij niet alleen onderzocht hoe de grap werkt, maar ook welke psychische mechanismen daarbij betrokken zijn. Zijn interesse ging verder dan het oppervlakkige van humor; hij dook in de onbewuste structuur ervan. Wat Freud Witz noemt, is niet simpelweg een slimme opmerking of een toevallige grap, maar een onbewuste constructie, in veel opzichten vergelijkbaar met dromen of versprekingen.

Volgens Freud werkt de grap als een uitlaatklep voor het onderdrukte. Door humor worden inhoudelijke zaken die anders gecensureerd zouden worden door morele of sociale normen — verlangens, agressie, driften of taboes — toch uitgesproken. De grap fungeert als een symbolisch masker waardoor deze zaken op een geaccepteerde, lichte, verplaatste manier naar voren kunnen komen. De effectiviteit zit precies in die omweg: het gezegde klinkt half-gezegd, alsof het bewust oordelen omzeilt.

Dit mechanisme creëert een eigen psychische economie. Door tijdelijk het onderdrukte te doorbreken, zorgt de Witz voor het ontladen van interne spanning. Het gaat niet alleen om vermaak, maar ook om energiebesparing, gedeeltelijke opheffing van censuur en een genoegen dat voortkomt uit het omzeilen van de zelfverdediging van het ego. In die zin communiceert humor niet alleen: zij verlicht, ontspant, ontwapent.

Freud stelt zo een logica voor waarin humor een indirect expressiemiddel is voor het verboden. Het subject kan uitspreken wat niet mag, zonder volledig de consequenties te dragen. De Witz functioneert als een ambigue zone, waarin niet alleen de grap zelf, maar vooral de mogelijkheid om repressie te omzeilen zonder de realiteit te schenden centraal staat.

Vanuit dit perspectief is humor geen ontkenning van het onbewuste, maar juist één van haar uitgewerkte verschijningsvormen. Door te lachen beleeft het subject niet alleen plezier, maar krijgt het — hoe kortstondig ook — toegang tot wat uit het bewuste discours is geweerd of geremd. Deze dynamiek tussen censuur, verplaatsing en genot is essentieel om te begrijpen wat er gebeurt wanneer het humoristische het dominante format wordt van hedendaagse culturele expressie.

Wat ontspant de meme? Twee mogelijke lezingen

Als we deze Freud-logica toepassen op de hedendaagse meme, verschuift de focus van alleen “waarom lachen we?” naar “wat laat die lach vrijkomen?”. Wat remt de meme af? Welke censuur wordt opgeheven wanneer het virale de overhand krijgt? De eerste lezing is die van de meme als sociale uitlaatklep. Net als een grap verlicht ze spanningen: economisch, politiek, symbolisch. Tegenover kwetsbaarheid, absurditeit, milieuproblemen of institutioneel wantrouwen helpt de meme om het ondraaglijke te verduren. Ze wordt een gedeelde ruimte om symbolisch ongemak te verwerken — een digitaal ritueel van collectieve decompressie.

Dat effect is niet gering. Deze lichtheid maakt het mogelijk om situaties te doorstaan die anders ondraaglijk zouden zijn. Maar de meme ontwijkt niet alleen: ze wijst ook aan. Ze kan een vonkje zijn, een onderbreking die onrust veroorzaakt. Een trigger die niet per se reflectie bevat, maar deze wel kan inluiden. In dit licht kan de meme echt een toegangspoort tot het denken zijn. Ze wijst zonder af te sluiten, suggereert zonder te verklaren, provoceert zonder uit te leggen. Al vervangt ze de analyse niet, ze kan die wel voorafgaan.

Toch mag dit potentieel niet verward worden met voldoende resultaat. Het risico is dat de meme opgaat in haar eigen vorm, dat het ironische gebaar het enige gebaar wordt, dat de virale knipoog de symbolische uitwerking vervangt. Denken begint vaak bij een beeld of een korte zin. Maar als het daarbij blijft, rest er alleen oppervlakte. Is de meme het begin, dan zou het denken moeten volgen.

Dat brengt ons bij een tweede mogelijke lezing. Misschien laat de meme niet alleen spanning los tegenover de ondraaglijkheid van de buitenwereld, maar ook een intiemere, moeilijker te erkennen impuls: de behoefte om niet te denken, niet betrokken te zijn, niet te veel te voelen. In een tijdperk van informatieovervloed, eisen, nieuws, oproepen en constante meningen is onverschilligheid het echte taboe. Vandaag moeten we geïnformeerd zijn, kritisch, sociaal bewust. Maar diep vanbinnen wensen we dat niet altijd. Vaak willen we juist loskoppelen, verdoven, ons niet verantwoordelijk voelen voor de omvang van wat er gebeurt, buiten noch binnen. Bij ecologische instorting, economische onzekerheid, politieke banaliteit of andermans lijden ontstaat een verlangen om niet helemaal aanwezig te zijn. En juist daar biedt de meme een effectief middel om dat verlangen zonder schuldgevoel te realiseren. Ze laat toe deel uit te maken van de sociale stroom zonder te veel gewicht te dragen. Je deelt een meme, lacht, zegt iets, maar hoeft niet uit te werken, je te engageren of een standpunt in te nemen. De meme is een emotionele interface om het zinloze met een glimlach te bewonen.

Dat gebaar, hoe begrijpelijk ook, kan leiden tot verarming van de symbolische band. Wat wordt gewonnen aan lichtheid, gaat vaak ten koste van diepgang. Wat direct wordt gecommuniceerd, wordt zelden nader bevraagd. Het virale wordt geconsumeerd met dezelfde snelheid als waarmee het uitgeput raakt. Daar schuilt het echte gevaar: dat de meme, die een toegangsdrempel tot het denken kan zijn, haar plaats inneemt. Dat de vraag in lachen verdwijnt. Dat daar waar kritiek zou kunnen zijn, slechts een samenzweerderig knipoogje achterblijft. Dat waar uitwerking mogelijk was, alleen herhaling resteert.

Het probleem ligt dus niet bij de meme zelf, maar bij wat wij ermee doen. Niet in het aanzetten tot lachen, maar in het uitblijven van reflectie. De meme kan en mag een deur zijn: een korte, maar doeltreffende toegang tot het denken. Wat ze niet mag worden, als we een kritische cultuur willen onderhouden, is het enige communicatiemoment. Kritiek begint vaak bij een grap, maar kan daar niet eindigen. Denken is dat eerste symbolische gebaar nemen en het overschrijden van zijn gecondenseerde vorm. Dat is wat Freud uitwerken noemt, en wat elke cultuur nodig heeft om ervoor te zorgen dat haar kleinste uitdrukkingsvormen niet eveneens haar uiterste grenzen worden.

Lees verder...