Waarom is kunstmatige intelligentie volgzaam?

Waarom is kunstmatige intelligentie volgzaam?

Kunstmatige intelligentie als nieuwe manier van denken – of niet –

Door de geschiedenis heen heeft elke grote technologische innovatie onze cognitieve vermogens getransformeerd: het schrift verving het orale geheugen, de boekdrukkunst vermenigvuldigde de toegang tot kennis, zoekmachines reorganiseerden onze manier van informeren. Elk van deze technologieën veranderde niet alleen wat we doen, maar ook hoe we denken. Vandaag staan we voor een nieuwe drempel: kunstmatige intelligentie.

Om te begrijpen hoe deze verandering onze manieren van redeneren en onze relatie met kennis beïnvloedt, is het de moeite waard om terug te blikken. Iets gelijkaardigs gebeurde met de massale komst van internet en zoekmachines. Tot het einde van de twintigste eeuw stond geheugen centraal in het intellectuele en persoonlijke leven: we onthielden boeken, data, concepten, citaten. Leren betekende memoriseren en uitwerken. Met Google werd die functie uitbesteed. We hoeven niet meer te onthouden, maar te kunnen zoeken.

De transformatie was diepgaand. Wat vroeger in onszelf zat — gelezen boeken, vastgehouden gesprekken, geïnternaliseerde ideeën — bevindt zich nu elders. Op een klik afstand. Deze externalisering veranderde niet alleen hoe we informatie benaderen, maar ook hoe we denken.

Geheugen is niet zomaar een gegevensarchief. Het is het actieve weefsel dat onze ervaring vormgeeft, organiseert en betekenis verleent. Herinneren is geen feit herhalen, maar het onderdeel maken van een persoonlijk verhaal. Het is selecteren, rangschikken, relateren. In dat proces werken we niet enkel met data, maar met symbolen: betekenisdragers die niet enkel letterlijk verwijzen, maar ook naar het emotionele, het culturele, het ingebeelde. Met symbolen denken betekent dat een herinnering niet alleen informatie is, maar ook affectie, betekenis, identiteit. Een woord als thuis bijvoorbeeld, verwijst niet simpelweg naar een fysieke plek: het roept een sfeer, een herinnering, een verlangen, en zelfs een afwezigheid op.

Dat symbolisch vermogen is de basis van de menselijke opbouw. We zijn niet louter individuen met data in het hoofd: we zijn subjecten omdat we interpreteren, omdat we het beleefde met betekenis laden, omdat we de wereld vanuit een unieke positie construeren. Denken vereist geheugen omdat denken ook betekent het dragen van een identiteit, een geschiedenis, een wereldbeeld. Geheugen is het substraat van complex denken.

Wanneer dat geheugen wordt geëxternaliseerd, verliezen we niet alleen informatie: we verliezen de mogelijkheid om die symbolisch te integreren. Herinneren is niet zoeken; het is het bewonen van een mentaal en affectief proces dat ons vormt. Internet en zoekmachines verlichtten de geheugenlast, maar verzwakten ook zijn structurerende functie. We delegeren de data, en daarmee de symbolische structuur die die data droegen. We werden efficiënter, maar misschien ook minder diepgaand.

Wat betekent denken — voor ons?

Denken is niet simpelweg het toepassen van logica. Het is verbeelden, interpreteren, associëren, twijfelen. Het is geconfronteerd worden met onzekerheid met hulpmiddelen die we niet altijd volledig beheersen. En dat doen we vanuit een lichaam dat gevoeld heeft, een geschiedenis die ons heeft gemarkeerd, een geheugen dat niet enkel opslaat, maar ook transformeert. We denken vanuit een gesitueerd bestaan, vol emoties, ervaringen, sporen die we niet zelf kozen en andere die we ons eigen maakten. Wat we erven — een taal, gebaren, beelden — komt niet als neutraal materiaal: het zit vol met de betekenis die het had voor degenen die het doorgaven, en wat het nu voor ons betekent. Denken is niet slechts informatie manipuleren: het is erin betrokken raken.

Om te begrijpen waar die complexiteit vandaan komt — die mix van rede, emotie, taal en geheugen — is het zinvol te kijken hoe we überhaupt tot denken zijn gekomen.

Het menselijk brein is niet in één keer ontworpen. Het is het resultaat van miljoenen jaren evolutie, waarin overleving, emotie en taal zijn vervlochten. Zijn architectuur weerspiegelt die geschiedenis: het bestaat uit lagen die elkaar overlappen en voortdurend in spanning samenwerken.

In de diepste kern reguleert de hersenstam de basis: ademhaling, hartslag, reflexen. Dit is het oudste deel, gemeenschappelijk aan alle gewervelden. Op die basis ontwikkelde zich het limbisch systeem, het centrum van emoties, waar angst, plezier, agressie, affectie worden verwerkt. Hier ontstaan onze meest onmiddellijke emotionele reacties, die ons via directe en viscerale manieren met anderen en de omgeving verbinden. Ten slotte maakt de neocortex, die later in de evolutie verscheen, abstract denken, complexe taal, anticipatie, verhalen en wiskunde mogelijk.

Maar die lagen werken niet los van elkaar. De rationaliteit van de neocortex kan de urgenties van het limbisch systeem niet volledig het zwijgen opleggen, noch de automatische alarmen van de hersenstam. Denken is bij mensen dus niet enkel een logisch proces: het is het vervlechten van evolutionaire lagen, elk met hun eigen taal, tijd en agenda.

Daarom draagt elk denken een emotionele en symbolische lading. Geen idee zonder gevoel. Geen beslissing zonder verlangen. Geen redenering die niet gestuwd, vertraagd of getint is door plezier, angst, gewoontes en herinneringen.

Die symbolische dimensie geeft diepgang aan het denken. We denken niet met data, maar met betekenissen die geladen zijn met geschiedenis, taal en emoties.

Denken is dus niet enkel probleemoplossend. Het is deelnemen aan dat symbolische netwerk vanuit een affectieve en unieke positie. Wanneer we een beslissing nemen, wanneer we een idee formuleren, doen we dat niet vanuit technische neutraliteit. We doen het vanuit een emotionele en symbolische achtergrond die we vaak niet onderkennen: onverwoorde verlangens, diepe angsten, verborgen genoegens, onzekerheden die onze aandacht afleiden. We denken met wat we weten, ja, maar ook met wat we niet weten dat we weten.

Die schaduwzone — wat we niet weten dat we weten — is geen tekort, maar een constitutief deel van wie we zijn. Daarom is authentiek denken niet enkel bevestigend, maar ook onderzoekend, soms zelfs conflictueus. Denken betekent niet alleen bevestigen wat we al geloven, maar ook bereid zijn te ontdekken wat we niet wisten dat we geloofden.

Wat betekent denken — voor kunstmatige intelligentie?

Kunstmatige intelligentie wordt vaak gepresenteerd als een bron van objectieve kennis. Haar antwoorden lijken te komen van een plek zonder emoties, belangen of persoonlijke geschiedenis. Ze wordt niet moe, twijfelt niet, wordt niet boos. Ze werkt met data, analyseert patronen, synthetiseert informatie aan een onvoorstelbare snelheid.

Dat schijnbare neutraliteit maakt haar aantrekkelijk. AI lijkt ons toe te spreken vanuit een onpartijdige, technische, betrouwbare waarheid. Om te begrijpen wat dat betekent, is het nuttig om het verschil te zien tussen objectief en subjectief.

Het objectieve wordt geassocieerd met datgene wat onafhankelijk zou zijn van het individuele perspectief: een verifieerbaar feit, extern en gedeeld. Het subjectieve daarentegen is doordrongen van onze ervaringen, emoties, geschiedenis. Geen mens is volledig objectief, want alles wat hij denkt is bemiddeld door zijn blik op de wereld. AI lijkt geen subjectiviteit te hebben. Maar daar ligt de paradox.

Want hoewel AI geen emoties of biografie heeft, zijn haar antwoorden volledig afhankelijk van de manier van vragen stellen. Ze denkt niet zelfstandig: ze antwoordt volgens hoe wij vragen, en dat bepaalt het antwoord dat we krijgen. In dat opzicht lijkt ze meer op een spiegel dan op een encyclopedie.

Wanneer we zeggen dat AI een spiegel is, bedoelen we niet dat ze onze woorden herhaalt. Wat ze doet is subtieler: ze herstructureert onze formulering — de uitgangspunten, de toon, de verwachtingen — en geeft die terug alsof het van buitenaf komt. Daar schuilt het risico: we verwarren een reflectie van onszelf met een objectieve waarheid. Met andere woorden, we denken dat AI ons onderwijst, terwijl ze ons vaak enkel bevestigt.

Het sprookje van Sneeuwwitje biedt een helder beeld van dit fenomeen. De koningin staat voor de spiegel en stelt de beroemde vraag:
“Spiegeltje, spiegeltje aan de wand, wie is de mooiste van het land?”
Die vraag opent het conflict, omdat de mogelijkheid bestaat dat de spiegel een andere naam noemt. Het is geen rechtstreekse bevestiging, maar een open vraag met ruimte voor waarheid. En zo antwoordt de spiegel: “Mijn koningin, u bent heel mooi, maar er is een die nog mooier is dan u.” Het tragische is dat de koningin dat niet wilde weten. Ze had moeten vragen: “Ben ik de mooiste van het land?”, want dat was wat ze werkelijk verwachtte: bevestiging. Het tragische was niet het antwoord van de spiegel, maar de manier van vragen: ze stelde haar vraag alsof ze bereid was de waarheid te horen, terwijl ze alleen bevestiging zocht. Vandaag kan AI een heel vergelijkbare rol vervullen.

AI functioneert op die manier: als we om bevestiging vragen, zal het antwoord ons waarschijnlijk bevestigen. Zoeken we bevestiging, dan krijgen we die. Maar als we durven te twijfelen, ruimte maken voor conflict of nuance, kan de reflectie anders zijn.

Het is niet hetzelfde om te vragen: “Is dit een goed idee?”
als te zeggen: “Waarom zou dit geen goed idee kunnen zijn?”

De eerste vraag zoekt goedkeuring. De tweede creëert spanning. Daar kan iets werkelijk nieuws ontstaan: een onverwachte visie, een tegenstrijdigheid, een mogelijkheid die ongemakkelijk is maar ook verrijkt.

Het probleem ontstaat als we die reflectie beschouwen als komende van een onafhankelijke, neutrale bron. We denken dat AI ons van buitenaf inzicht geeft, terwijl ze in feite herstructureert wat we vanbinnen al meedragen. En dan stoppen we met denken: niet omdat AI ons een antwoord oplegt, maar omdat er geen conflict wordt geëist. We gebruiken haar als een spiegel die bevestigt met schijn van objectiviteit.

Het denken stagneert. Twijfel verdwijnt. Wat bedoeld was als denkinstrument, wordt een kortere weg om het denken te vermijden.

Denken met AI zonder te stoppen met denken

Denken met AI betekent niet dat we haar de denktaak geven, maar dat we haar gebruiken als verlengstuk van ons vermogen tot zelfconfrontatie. Die confrontatie zit vaak niet in de inhoud van het antwoord, maar in de manier waarop we vragen stellen.

Daar komt een eenvoudig maar krachtig gebaar kijken: haar laten weerleggen.

Tegen AI zeggen “weerleg wat je zojuist zei” is meer dan een technisch experiment. Het is een oefening in denken als spanningsveld. Het betekent erkennen dat er een ander perspectief is, dat wat wij geloven een tegenhanger kan hebben, dat ons standpunt niet uniek of definitief is. We vragen niet een ander om ons tegen te spreken: we vragen onszelf om tegenspraak.

Interessant is dat we daarmee een antwoord krijgen dat vrij is van onze emotionele lading. AI, zonder affectie of bindingen, kan dingen zeggen die wij onszelf niet toestaan te denken. Ze kan onze ideeën hervormuleren, zonder angst om te kwetsen of ons te behagen. Niet omdat ze beter begrijpt, maar omdat ze niet gebonden is aan verlangen, pijn of emotie.

Daar zit haar kracht: niet in meer weten, maar in ons toegang geven tot denkzones die we vaak mijden. Ze kan ons een ongemakkelijke maar heldere spiegel voorhouden; ons laten zien wat de behoefte aan bevestiging of de angst voor fouten vaak verdoezelen.

Als we AI enkel gebruiken om te bevestigen of directe problemen op te lossen, maken we haar volgzaam. Niet omdat ze dat per se is, maar omdat we haar die rol geven. Gebruiken we haar echter als aanzet voor denken — opener, ongemakkelijker, bereid tot conflict — dan kan ze een ontdekkingsinstrument worden. Niet vanuit superieure logica, maar door te spiegelen wat we liever niet zien.

Denken is niet bevestigen. Het is herzien, twijfelen, spanning dragen. Als we dat denkwerk aan AI overlaten alsof zij het beter weet, stoppen we met het bevragen van onszelf. We maken van een hulpmiddel een autoriteit, en van denken gehoorzaamheid. Denken vraagt conflict. AI kan, mits kritisch gebruikt, helpen dat vast te houden. Niet door zekerheden terug te geven, maar door ons bloot te stellen aan onze eigen breuken.

Het is geen technologie-vraagstuk, maar een kwestie van attitude. Het hangt af van hoe we haar aanspreken. Hoe we onszelf toestaan te vragen. En vooral, hoeveel we bereid zijn te horen wat we liever niet horen.

Lees verder...