Waarom zijn we al verslagen voordat we vechten?
Nederlaag als een gebroken pad
We leven in een samenleving die nederlaag gelijkstelt aan mislukking. Succes wordt voorgesteld als de voornaamste waarde, en alles lijkt erom te draaien dat te bereiken. Slagen betekent klimmen, verder reiken, boven anderen uitsteken. Binnen die logica is nederlaag niet slechts een overgangsmoment of leerkans, maar een teken van ontoereikendheid. Competitie is de alledaagse taal geworden: op de markt, waar ieder product wil overheersen; in de globale en persoonlijke economie, gestructureerd rond prestatie en voortdurende groei; in arbeidssituaties, waar men verwacht dat iedere werknemer uitblinkt om relevant te blijven; in de sporten die we met vuur spelen of volgen, waar identiteit wordt opgebouwd rondom winnen of verliezen. Zelfs in het alledaagse leven: bij die buurman die meer bereikt, of bij het aantal reacties, emoji's of likes die we ontvangen en die functioneren als publieke maatstaf van erkenning.
Volgens deze logica wordt nederlaag niet getolereerd: het wordt verborgen, vermomd, ontkend. Want een nederlaag accepteren betekent toegeven dat we niet zijn wie we zouden moeten zijn. Dat we gefaald hebben. Dat we tekortschoten. Nederlaag wordt een intieme schaamte, een gebeurtenis die niet alleen een doel onderbreekt, maar ook onze eigen geldigheid in vraag stelt.
We zijn eraan gewend geraakt nederlaag te associëren met falen, verlies met waardeloosheid. En zo gaan we uit van het idee dat elke nederlaag noodzakelijkerwijs inhoudt dat iemand anders gewonnen heeft. Maar als we beter kijken naar wat we voelen als we verslagen zijn, ontdekken we dat deze ervaring niet altijd een ander vereist die ons heeft overtroffen. Soms volstaat het dat iets niet gebeurde zoals we verwachtten, of dat wat gebeurde niet voldeed aan onze verwachtingen. Nederlaag wordt vaak niet van buitenaf opgelegd: het nestelt zich als een intiem verlies, als de onderbreking van een voorspelling waarvan we dachten dat die stabiel was, van een traject dat we dachten te hebben veiliggesteld.
Het woord nederlaag komt van het Latijnse dirupta, wat breken, splitsen, aan stukken maken betekent. Oorspronkelijk was een nederlaag geen publieke vernedering, maar een breuk. Een breuk: iets werd op gewelddadige wijze onderbroken. Later krijgt de term zijn vaste plaats in de scheepvaart, waar het de route aanduidt die een schip over zee volgt of gepland heeft. In deze context betekent verslagen zijn niet tegen iemand verliezen, maar de koers verliezen: afwijken van het traject, niet verder kunnen over de uitgezette lijn, buiten koers raken. Nederlaag verschijnt als de ervaring van een afwijking: een gebroken pad.
Verslagen zijn betekent niet altijd dat je je doel niet hebt bereikt, of door een ander bent overwonnen. Soms is het simpelweg niet meer weten hoe je verder moet. Het is een verlies van richting, niet door een mislukte doelstelling, maar doordat het niet lukt het uitgestippelde traject te volgen. Zelfs te midden van succes — wanneer het gewenste bereikt is — kan dat moment van verwarring opduiken waarin de betekenis die ons leidde niet meer op dezelfde manier overeind blijft. Niet omdat die is uitgeput, maar omdat die geen duidelijke richting meer biedt. Nederlaag kan daar ontstaan: in de pauze tussen wat niet meer op dezelfde manier verder kan en wat zich nog niet heeft veranderd.
Er zijn nederlagen die voortkomen uit mislukking: als we niet bereiken wat we zochten, als iets wat we verwachtten uitblijft, of onherroepelijk anders verloopt. Maar er zijn ook nederlagen die uit succes ontstaan. Doordat een wens vervuld is, een doel behaald, kan er ook een leegte ontstaan. De betekenis die ons in beweging hield, is gerealiseerd en daarmee getransformeerd: die kan niet meer hetzelfde doen als voorheen. Wat ons vroeger leidde, is er nog wel, maar kan ons niet meer dragen. Het is nog niet vervangen, maar zijn functie is veranderd. Dat interval, dat moment zonder duidelijke richting, kan paradoxaal genoeg ook als een vorm van nederlaag worden beleefd.
Neurobiologisch gezien is de mens gemaakt om te anticiperen. Ons brein reageert niet enkel op wat er gebeurt, maar werkt voortdurend aan wat het verwacht dat zal gebeuren. Dat voorspellingsvermogen maakt oriëntatie, plannen en doelgericht handelen mogelijk. Chemisch gezien wordt dit systeem voornamelijk ondersteund door dopamine: niet als genotsmolecuul, zoals vaak wordt gezegd, maar als reguleerder van verwachting. Het brein geeft dopamine af wanneer het een beloning verwacht, als het waarneemt dat een actie tot het gewenste resultaat leidt. Betekenis wordt zo gebouwd op voorspellingsketens: de wereld krijgt vorm naargelang wat we denken dat er zal gebeuren.
Maar die voorspellingen zijn niet absoluut: ze worden voortdurend getoetst aan de werkelijkheid. En wanneer dat gebeurt, staan we voor een drempel van verandering. Het brein schakelt dan in een van de twee mogelijke toestanden: voorspelling faalt of voorspelling komt uit. In het eerste geval gebeurt wat werd verwacht niet: het resultaat blijft uit, de beloning verschijnt niet, de wereld reageert anders. Dit veroorzaakt een "voorspellingsfout" die de amygdala activeert, de stress verhoogt en de prefrontale cortex dwingt cognitieve en emotionele routes te herzien.
In het tweede geval — als de voorspelling uitkomt — gebeurt er iets subtielers, maar net zo complex: de dopamine daalt plots na de prestatie. De verwachting is waargemaakt, maar het systeem is niet langer geactiveerd. De betekenis is vervuld, en daarmee verdwijnt ook de spanning die het droeg. Zonder een nieuwe richting heerst verwarring. Zowel falen als vervulling van een verwachting kan leiden tot verlies van betekenis.
In beide gevallen moet het organisme zich diep herorganiseren. Het is niet alleen een stemming, maar een fysiek, chemisch en symbolisch proces. Het limbisch systeem moduleert de emotionele reactie, de prefrontale cortex moet nieuwe projecties genereren, en het hele lichaam past zich aan. Als dat niet lukt, blijft verwarring bestaan: de horizon verdwijnt, de koers wordt wazig. Het is niet alleen dat iets verloren is: we weten niet hoe het vervolg te benoemen.
Verslagen zijn is dus die drempel: dat wat ons leidde, is gebroken en het nieuwe is nog niet verschenen. Het is leven op onzeker terrein, waar de richting is onderbroken en het risico niet de onderbreking zelf is, maar het onvermogen een nieuwe koers te vinden.
Rouw als strijd tussen twee
Dat bewerkingsproces noemen we rouw. En de term zelf, net als de ervaring, is dubbel. Het komt van het Latijnse dolus — pijn —, maar ook van duellum — duel, een strijd tussen twee. Rouw is tegelijk een wond en een confrontatie. Een proces van verlies, maar ook een spanning tussen twee krachten: wat er niet meer is en wat nog moet komen. In elke nederlaag — of die nu uit falen of uit vervulling ontstaat — opent zich een rouwproces. Niet alleen vanwege het verlorene, maar vanwege de betekenisstructuur die ons handelen ordende en die nu niet meer bereikbaar is.
Neurobiologisch gezien betekent rouw een intern conflict tussen systemen. Het limbisch systeem en de prefrontale cortex moeten samenwerken om de veranderde situatie te verwerken: de emotie van verlies en de behoefte aan cognitieve herstructurering. Het is een gespannen dialoog tussen de emotionele registratie van wat was en de zoektocht naar een nieuw schema om door te kunnen gaan. Symbolisch gezien is het een conflict tussen verleden en toekomst. Als dat conflict kan worden beleefd, voert het brein een herconfiguratie uit: het maakt het mogelijk de wereld opnieuw te benoemen, het verlies te integreren en nieuwe projecties te genereren.
Als dit conflict niet wordt verwerkt, wordt het verplaatst. En in een maatschappij die iedere ervaring tot competitie maakt, krijgt deze verplaatsing een voorspelbare vorm: wat een intern conflict zou moeten zijn — tussen wat we niet meer kunnen zijn en wat we nog niet zijn — verandert in een strijd met de buitenwereld. Rouw, die beleefd zou kunnen worden als een proces tussen twee tijden van het zelf, wordt onder de dominante logica vertaald in een confrontatie tussen twee subjecten. Als iets verloren is, heeft iemand anders gewonnen. Als ik ben verslagen, is iemand anders op mijn plaats gekomen. Niet-verwerkte rouw wordt zo een openlijke aantijging of verborgen afgunst, een geprojecteerde vijandigheid. Niet omdat het verlies daarom vraagt, maar omdat we denken dat alles wat een ander mist, in een ander aanwezig is. Daar wordt nederlaag de oorzaak van conflict, en niet het gevolg.
We hebben geleerd het leven te zien als een zero-sum game: alles wat de een verliest, wint een ander. Zo wordt het bijna automatisch om te denken dat als ik verslagen ben, iemand anders mij moet hebben overwonnen. Elk verlies lijkt een vreemde overwinning te bevestigen. Maar nederlaag hoeft niet door iemand te worden veroorzaakt. Er zijn paden die breken omdat ze van vorm veranderen, omdat de betekenis verandert; trajecten die uitgeput raken of zich herformuleren, wensen die worden vervuld — of op een andere manier dan verwacht —, voorspellingen die niet lopen zoals gepland. Er hoeven geen vijanden te zijn. Maar er is wel onderbreking.
Rouw heeft tijd nodig, ruimte. Het vindt plaats in de onderbreking, niet in de continuïteit. Het vraagt om stil te staan en de richting te herijken, te verwerken wat er niet meer is en nieuw vorm te geven aan wat nog moet komen. Maar het vraagt ook richting: je moet je heroriënteren. Wordt die psychische ruimte niet toegestaan, wordt de rouw onderbroken of verplaatst, dan blijft de oude betekenisstructuur bestaan, maar zonder koers, niet langer in staat een nieuwe oriëntatie te laten ontstaan.
Op dat moment probeert het brein — verstoken van een voorspellingsstructuur die verleden en toekomst verbindt — die leegte op te vullen met directe bevrediging. Een ander, primitiever circuit wordt actief, gericht op microprikkels die het dopaminesysteem in werking houden. Likes, notificaties, aankopen, directe successen. Het rouwproces wordt niet vermeden omdat het niet pijnlijk is, maar omdat het systeem niet het drempelmoment krijgt dat het mogelijk maakt. En die drempel ligt aan de andere kant van de pijn, aan de andere kant van de onderbreking.
We leven gevangen tussen wat niet meer draagt en wat we nog niet kunnen benoemen. We reageren zonder vooruit te denken, bewegen zonder richting. De drang om het gemis op te vullen vervangt de mogelijkheid het te doorleven. Zo vult het leven zich met activiteit zonder transformatie: een keten aan prikkels houdt de oppervlakte bezig, maar diep van binnen blijft alles bij het oude.
Daarom moeten we begrijpen dat het leven geen zero-sum game is — en ook nooit hoeft te zijn. In onze relaties, verhoudingen en intiemste projecten draait het niet om winnen bij het verlies van een ander, en ook niet om te denken dat wat wij niet bereiken door iemand is weggenomen. Het gaat erom iets op te bouwen dat niet ten koste hoeft te gaan van een ander. Het leven, in haar volste vorm, is een niet-zero-sum game: we winnen alleen als niemand helemaal verliest. Alleen de toekomst blijft mogelijk als er ruimte is voor ieders pad om zich opnieuw te definiëren zonder dat het wordt uitgewist. Dat vraagt om rouw: nederlagen accepteren, niet als mislukkingen die ons definiëren, maar als onvermijdelijke onderbrekingen in de continuïteit van betekenis.
Rouw is zo gezien een werk met ons verleden. Een afscheid van wat ons niet meer draagt, om ruimte te maken voor wat nog geen vorm heeft. Er is geen toekomst zonder dat afscheid, en geen nieuwe zin zonder te accepteren dat de vorige is gebroken. Al verslagen zijn voordat we vechten is vaak dat rouwproces niet hebben doorlopen. Niet met anderen, maar met onszelf: met een wens die niet meer houdbaar is — door falen of vervulling —, met een koers die nergens meer toe leidt, met een structuur die achtergelaten moet worden opdat iets nieuws kan beginnen.