Waarom dragen we allemaal een politicus in ons?

Waarom dragen we allemaal een politicus in ons?

Het politieke discours

Om over politiek te spreken is het nuttiger om stil te staan bij de taal dan om eerst naar instituties te kijken. Het politieke ontstaat namelijk niet in de Staat of het Parlement: het vindt zijn oorsprong veel eerder, in de manier waarop discoursen worden opgebouwd, in hoe woorden worden georganiseerd om ideologische kracht te krijgen, om waar te lijken.

In deze verbale architectuur zijn er twee structurele elementen: het valse en het bedrieglijke. Beide delen een etymologische wortel —fallere, wat in het Latijn bedriegen betekent—, hoewel ze op verschillende noties uitkomen. Falsus leidt tot “vals”, datgene wat feiten tegenspreekt, gegevens verdraait of iets bevestigt dat niet is gebeurd.

Fallax daarentegen heeft geleid tot “bedrieglijk” en verwijst naar wat niet per se onwaar is, maar wel misleidend: uitspraken die logisch lijken, waarbij zelfs twee correcte premissen tot een foute conclusie kunnen leiden. Het bedrieglijke misleidt meer door zijn vorm dan door de inhoud, want het hoeft niet te liegen om te overtuigen.

Het weerleggen van het valse is relatief eenvoudig: het volstaat om het gezegde te vergelijken met bewijs, documenten of betrouwbare bronnen. Dit is meer een technische dan een conceptuele aanpak, zelfs routinematig wanneer de informatie toegankelijk is.

Het bedrieglijke vereist echter een andere aandacht. Het is niet genoeg de inhoud te controleren: men moet onderzoeken hoe ideeën zijn verbonden, de volgorde die wordt opgelegd, de logica die wordt voorgespiegeld. Een bewering kan redelijk klinken en toch tot een onjuiste conclusie leiden als deze op tendentieuze wijze wordt geconstrueerd. Een drogreden overtuigt niet door wat ze zegt, maar door wat ze uitsluit. Haar kracht zit in wat ze blokkeert: ze onderbreekt de vraag, vermijdt complexiteit, voorkomt dat iets ter discussie wordt gesteld.

Daarom is het, van klassieke retorica tot hedendaagse propaganda, het favoriete middel binnen het politieke discours. Niet omdat politici de logica niet zouden kennen, maar omdat ze weten dat politiek niet rust op feiten, maar op verhalen. Er wordt zin en betekenis gezocht. In de publieke sfeer wint niet het verifieerbare, maar het geloofwaardige: narratieven die verklaren, vereenvoudigen en het onzekere emotioneel draaglijk maken. In dat kader hecht een goed gepresenteerde drogreden sterker dan een ongemakkelijke waarheid. Niet omdat zij steviger is, maar omdat ze overkomt als vanzelfsprekend: ze vraagt niet om overdenking, slechts om instemming.

Het bedrieglijke is zo diep in het politieke discours geïntegreerd dat sommige drogredenen al structurele onderdelen zijn van haar functioneren. De valse dichotomie reduceert alles tot twee opties — politiek, economisch, ideologisch — en forceert bipartisanschap, directe positiebepaling en verstikt elk alternatief. De valse oorzaak biedt telkens één verklaring voor wat veelvoudig en complex is. Alles wordt gecentreerd rond één verantwoordelijke, één figuur, één situatie, van waaruit het verleden, het heden en het beleid worden herschikt.

Deze twee drogredenen zijn geen gewone fouten: het zijn instrumenten die het politieke narratief structureren. Ze maken het behapbaar en effectiever om te overtuigen. Daarom worden ze zo veel herhaald. Ze vereenvoudigen. En wie vereenvoudigt, schakelt vaak de noodzaak tot verder denken uit. Zo is het bedrieglijke niet alleen een incidentele tactiek, maar een structuur die macht ondersteunt en verlengt.

Daarbij is het inzicht van filosoof José Antonio Marina in La pasión del poder interessant. Hij stelt een definitie van corruptie voor die het fenomeen verder trekt dan geld of misdaad. Corruptie, zo betoogt hij, is niet alleen stelen of het wegsluizen van fondsen: de diepste vorm van corruptie ontstaat wanneer iemand vasthoudt aan de macht, voorbij de tijd of de zin die deze oorspronkelijk rechtvaardigde. Het is het innemen van een positie die ooit legitiem kon zijn, maar dat nu niet meer is. Het gaat niet enkel om aanblijven, maar om het forceren van de omstandigheden om dat te blijven, zelfs als dat het systeem degradeert, het leegmaakt, het aanpast aan degene die het niet kan loslaten.

Dit streven naar aanblijven wordt bijzonder gevaarlijk wanneer het verweven raakt met gevestigde economische en machtsstructuren, de minderheden met dominante posities. De politicus die wil volharden raakt niet alleen gecorrumpeerd door wat hij neemt, maar ook door wat hij weggeeft: zijn aanblijven hangt af van de steun van deze groepen, en daarvoor biedt hij hen voordelen. Zelden concentreert hij zelf het meeste kapitaal; zijn rol is een andere. Hij wordt de symbolische waarborg van een systeem dat hem steunt zolang hij nuttig is. Hij is niet de kern van de macht, maar vertegenwoordigt haar. En om die vertegenwoordiging te behouden, moet hij het discours beschermen.

Zo wordt de politieke taal tot een gesloten architectuur, waarbij elk woord de functie heeft van een ideologische bouwsteen. Er is altijd een vijand die de urgentie, de polarisatie, de gehoorzaamheid rechtvaardigt. Corruptie uit het verleden dient om af te leiden van die in het heden. Onmiddellijke maatregelen worden beoordeeld op kortetermijneffect, zonder toekomstige gevolgen te overwegen. Kritiek wordt in diskrediet gebracht via een emotionele logica die elke tegenstem gelijkstelt aan verraad.

Het discours wordt hermetisch niet alleen door wát het zegt, maar door alles wat het denken voorkomt. Het bedrieglijke misleidt niet enkel: het maakt het systeem immuun voor kritiek. Het maakt het ondoordringbaar.

De corruptie van het denken

Het bedrieglijke leeft niet alleen in politieke toespraken. Het zit ook in onze manier van communiceren, van kopen, van verlangen. Reclame en marketing hebben ons getraind te denken in termen van simpele oorzaken en onmiddellijke oplossingen: als er iets ontbreekt, is er iets om het op te lossen; als je niet gelukkig bent, komt dat doordat je iets mist wat je kan kopen, kiezen, verkrijgen. Het is een constante valse oorzaak, tussen verlangen en object in stand gehouden. De belofte is niet iets verkrijgen, maar dat het je compleet kan maken. En in die dagelijkse handeling, zonder veel bombarie, wordt het bedrieglijke een gewoonte.

Een auto belooft geen vervoer, maar vrijheid of prestige. Een crème belooft geen hydratatie, maar jeugd. Een drankje belooft geen dorstlessing, maar erbij horen. Elk object sleept een verhaal met zich mee dat het overstijgt, een emotie die het legitimeert, een belofte die het noodzakelijk maakt. Zo raken we gewend te denken dat verlangen een duidelijke oorzaak heeft en dat die buiten ons ligt, direct beschikbaar, klaar om opgelost, bereikt of geconsumeerd te worden.

En zoals in de politiek of consumptie is het bedrieglijke ook aanwezig in onze manier van denken, onszelf rechtvaardigen, praten met anderen en onszelf. Het presenteert zich niet altijd als opzettelijk bedrog; vaak is het een verdediging, een mentale shortcut, een manier om te vermijden wat we liever niet onderzoeken. We zeggen dingen die goed klinken maar geen vragen verdragen. We vereenvoudigen het complexe om het niet onder ogen te hoeven zien. We zoeken schuldigen om onszelf niet te hoeven bekijken. Zoals in de politiek grijpen we naar valse dichotomieën om elke ervaring, elke beslissing tot slechts twee opties te reduceren. En naar valse oorzaken om iedere emotie, situatie, daad of nalatigheid te rechtvaardigen. En ook al liegen we vaak niet, spreken we ook niet de volle waarheid. Zoals het bedrieglijke in de publieke sfeer de macht ondersteunt, zo ondersteunt het op persoonlijk vlak een imago: van coherentie, zekerheid, weten wie we zijn.

Maar niet alle interne constructies of definities kunnen bedrieglijk genoemd worden. Veel van die interne structuren — onze verlangens, overtuigingen, intuïties — waren ooit legitiem. Wat ons intern vormde was geen vergissing. Wat ons ooit richting gaf, ons hielp de wereld te interpreteren, ons voortstuwde, had zijn moment en betekenis. Het bood houvast wanneer onzekerheid alles dreigde te overspoelen. Het verlangen dat ons leidde, de overtuiging die het onbegrijpelijke verklaarde, het zelfbeeld dat als toevlucht diende: ze functioneerden als een innerlijk bestuur. Ze bepaalden de koers, ordenden het conflict, gaven richting.

Maar zoals elke macht die te lang aanblijft, begint ook die interne macht weerstand te bieden tegen loslaten. Zelfs als de realiteit is veranderd, zelfs als wij veranderd zijn, blijft wat ons eens inwonerde aandringen op het bepalen van de route. Niet omdat het nog zin heeft, maar omdat het de plek niet wil afstaan. Het beantwoordt geen behoefte meer: het reageert op de wil tot voortbestaan.

En zoals elke macht die haar legitimiteit verliest maar zich wil handhaven, raakt ze gecorrumpeerd. Ze rechtvaardigt zich, beschermt zich, schermt zich af. Niet met grove leugens, maar met redeneringen die coherent klinken maar leeg blijven. Ze volhardt in argumenten die niks meer verklaren, maar desondanks als referentiekader blijven werken. Ze grijpt terug op de valse dichotomie om ons op te sluiten in een keuze tussen twee uitersten. En op de valse oorzaak om elk intern conflict te reduceren tot een simpele, sluitende, functionele vertelling.

Zo reproduceren we, bijna zonder het te beseffen, in ons innerlijk leven dezelfde structuur die we in de politiek bekritiseren: een discours dat niet langer wil transformeren, maar het vermogen tot verandering opslaat, zelfs ten koste van het systeem dat het zou moeten beschermen.

Het verschil is dat in de politiek, hoe wrang ook, altijd wel iemand profiteert, vaak ten koste van allen. Maar bij onszelf, wanneer die logica zich inwerkt, wint niemand. Wat in ons leeft — die interne macht die na haar tijd wil blijven — beschermt ons niet meer, biedt geen richting: het blijft enkel overeind ten koste van zichzelf, alsof continuïteit belangrijker is dan de betekenis die het ooit bood.

Misschien is het echte probleem dat we, gewend aan het politieke toneel, ervan zijn uitgegaan dat elke regering onmiddelijk vervangen moet worden door een volgende, zonder onderbreking, zonder pauze, alsof onmiddellijke opvolging de enige manier is om orde te bewaren. Maar misschien hoeft dat bij onszelf niet zo te zijn. Misschien mogen we onszelf een vacuüm toestaan, al is het maar tijdelijk. Niet om te vervallen in emotionele anarchie, maar om een ruimte te openen, een tussenperiode waarin een nieuwe koers kan ontstaan. Niet om opnieuw te worden wie we waren, of te bevestigen wie we zijn, maar om de mogelijkheid te openen uiteindelijk te worden wie we zouden kunnen zijn.

Lees verder...