Waarom tarieven op China niet hetzelfde betekenen als tarieven op Europa
Tarieven als symbool van verval of geopolitieke herbevestiging
In de eerste decennia van de negentiende eeuw was China de belangrijkste macht in Oost-Azië, met een geconsolideerde keizerlijke structuur, een hoogproductieve agrarische economie en een cultuur die zichzelf beschouwde als het beschaafde centrum van de wereld. De term Zhōngguó (中国) — 'Rijk van het Midden' — was geen simpele geografische aanduiding, maar een politieke en kosmologische bewering: China zag zichzelf als de natuurlijke as van de orde, waar omheen kleinere beschavingen draaiden in een tribuut-hiërarchie die zowel de morele superioriteit als de institutionele stabiliteit van het dynastieke systeem weerspiegelde.
Economisch gezien was China een pre-industriële maakmacht. De landbouw was gebaseerd op intensieve technieken en goed ontwikkelde irrigatiesystemen, wat langdurige voedselzekerheid garandeerde. Op die basis bloeiden ambachtelijke sectoren van buitengewoon hoge verfijning: zijde, porselein en thee waren niet alleen luxeproducten in Europa, maar ook symbolen van technische vaardigheid die het continent bewonderde, maar niet kon evenaren. Vooral Chinese thee werd sinds de achttiende eeuw een nationale obsessie voor Engeland, tot het begin negentiende eeuw 90% van de Britse import uit China uitmaakte.
Handel met Europese mogendheden werd echter streng beperkt. Deze mocht alleen plaatsvinden in de haven van Canton (Guangzhou) en stond onder strikte staatscontrole. Bovendien toonde het rijk geen interesse in Europese producten, die als inferieur of irrelevant voor de Chinese economie werden gezien. De autoriteiten eisten dat transacties uitsluitend in zilver werden afgehandeld, wat leidde tot een chronisch onevenwicht in de handelsbalans: het Verenigd Koninkrijk – net uit de Industriële Revolutie – exporteerde grote hoeveelheden zilver naar China, maar slaagde er niet in om naar verhouding producten te verkopen. Deze eenzijdige stroom verzwakte de Britse monetaire reserves en werd een strategische anomalie die het rijk, midden in haar wereldwijde expansie, niet eindeloos wilde volhouden.
Het Britse Rijk, via de British East India Company, begon een strategie om de ongunstige handelsbalans om te keren. Er werd opium verbouwd in Brits-Indië en illegaal China binnengebracht door particuliere handelaars gesteund door de Britse diplomatie. Zo begon het zilver dat eerst richting China stroomde, het land te verlaten, en transformeerde opium van een marginaal product tot een structureel element in de informele economie van het rijk.
In 1839 overschreden de Britse opiumexporten naar China 1.400 ton per jaar. Verslaving verspreidde zich door alle sociale klassen. De Qing-staat, geconfronteerd met een gezondheids- en morele crisis, probeerde de instroom van opium te stoppen. Het Britse antwoord was oorlog. De Eerste Opiumoorlog (1839–1842) eindigde met het Verdrag van Nanking, dat de gedwongen openstelling van zeehavens, de legalisatie van opium, schadevergoedingen en de overdracht van Hongkong oplegde. Daarna volgden soortgelijke verdragen.
De gevolgen waren verwoestend. De economie raakte ontwricht, de ambachtelijke industrie stortte in en het sociale weefsel werd beschadigd door de verspreiding van verslaving. Tegen 1880 overschreed de Britse opiumexport naar China 6.500 ton per jaar. Men schat dat tegen het eind van de negentiende eeuw ongeveer 27% van de volwassen mannelijke bevolking verslaafd was aan opium. China, ooit een beschavingscentrum, werd een gecontroleerde economie en een gefragmenteerd grondgebied. Opium was niet zomaar een handelswaar: het werd de stille architectuur van een structurele overgave.
Een effectief verbod op opium kwam pas met de consolidatie van de macht van de Communistische Partij van China in 1949. Dit was een van de eerste symbolische daden van het nieuwe regime, markeerde het einde van het tijdperk van onderwerping en het begin van een soeverein reconstructieproject. De Partij presenteerde zich niet slechts als winnaar van een burgeroorlog, maar als de politieke actor die een eind zou maken aan meer dan een eeuw buitenlandse vernederingen.
Dat verhaal werd opgebouwd rond het begrip “eeuw van vernedering” (1839–1949), een historische en emotionele categorie die het moderne collectieve geheugen structureert. De Opiumoorlogen, de ongelijke verdragen, de Japanse invasie en het verlies van grondgebied worden gelezen als een keten van ontnemingen, waartegen de oprichting van de Volksrepubliek niet slechts een politieke respons is, maar een existentiële herstelbeweging.
Dit narratief is geïnstitutionaliseerd: het wordt onderwezen op scholen, herdacht op nationale feestdagen, doorkruist musea, schoolboeken en staatsdiscussies. Ook in de populaire cultuur breidt het zich uit: films, series, romans en videogames recreëren episodes van bezetting en verzet. De boodschap is duidelijk: vernedering was niet het einde, maar het begin van een nieuw nationaal bewustzijn.
Trump-tarieven als spiegel: waar het Westen betekenis verliest, vindt China bevestiging
In 2025, wanneer de regering van Donald Trump een nieuwe golf van tarieven oplegt, niet alleen tegen China maar ook tegen historische bondgenoten — zoals Duitsland, Japan of Frankrijk —, is het in het Westen niet slechts een handelsverdrag dat breekt, maar het funderende verhaal van het liberale kapitalisme, sinds de naoorlogse periode gebouwd op axioma's als vrijhandel, marktopenstelling, economische neutraliteit en interdependentie als principe van wereldorde.
Het gebruik van protectionisme als strategisch wapen tegen bondgenoten doorbreekt de logica van wederzijds voordeel en legt een kloof bloot tussen de geproclameerde principes en de feitelijke machtsuitoefening. Voor Europa en andere traditionele partners van de VS zijn de tarieven meer dan een economisch verlies: ze vertegenwoordigen een symbolische klap. De garant van de liberale orde garandeert niet langer. De markt verschijnt niet langer als neutrale ruimte, maar verandert in een strijdtoneel.
Voor China daarentegen werkt dezelfde daad als bevestiging. De Communistische Partij ziet de markt niet als een autonome entiteit, maar als instrument van de staat. Sinds 1949 combineert het Chinese model staatsplanning, selectieve bescherming en gecontroleerde openstelling. Hervormingen zijn niet gericht op onderwerping aan de mondiale orde, maar op integratie zonder controle over strategische beslissingen op te geven.
Het plan «Made in China 2025», ruim tien jaar geleden gelanceerd om de technologische afhankelijkheid te verminderen en leidend te worden in sleutelsectoren, heeft reeds meer dan 86% van haar doelen bereikt en positioneert China wereldwijd als marktleider in hogesnelheidstreinen, batterijen, zonnepanelen, robotica en elektrische voertuigen. Sancties verzwakken dit beleid niet: ze versnellen het. Ontkoppeling verrast China niet: het maakt deel uit van hun uitgangshypothese. Wat in het Westen als een crisis wordt beleefd, voelt in China als een bevestiging.
Het Chinese verhaal verzwakt niet bij conflict: het wordt juist herbevestigd als uitdrukking van een vasthoudende historische consistentie. In de negentiende eeuw gebruikte een buitenlandse macht handel om de Chinese soevereiniteit te ondermijnen; vandaag, geconfronteerd met nieuwe vormen van economische druk, ervaart China geen breuk, maar bevestigt de fundamenten die het al meer dan zeventig jaar consequent cultiveert. Niet alleen strategisch, maar ook historisch, cultureel en moreel, vormen deze fundamenten sinds 1949 de basis van hun nationale project. Waar tarieven in het Westen een breuk vormen tussen de fundamentele principes van vrijhandel en daadwerkelijke machtsuitoefening, zijn ze voor China een bevestiging van een wereldbeeld dat economie en politiek, soevereiniteit en ontwikkeling nooit scheidt. In die interpretatie-asymmetrie botsen niet alleen twee modellen; er worden ook twee verschillende horizonten zichtbaar: tussen wie een breekpunt ervaren en wie in het conflict de bevestiging van continuïteit en opkomst leest.