Waarom eindigt dit alles uiteindelijk in onverschilligheid?

Waarom eindigt dit alles uiteindelijk in onverschilligheid?

Onverschilligheid: Van niet onderscheiden tot niet betrokken raken

“Zo eindigt de wereld / Niet met een knal, maar met een zucht.”
— T. S. Eliot, The Hollow Men (1925)

Het woord onverschilligheid komt van het Latijnse in-differentia, wat letterlijk "geen onderscheid" betekent: wat niet wordt onderscheiden, wat er niet toe doet, wat om het even is. In oorsprong had het geen ethische lading. In de middeleeuwse scholastiek werd het gebruikt om moreel neutrale daden aan te duiden, zonder inherente goedheid of slechtheid. Het was een logische categorie, een manier om te beschrijven wat geen oordeel of beslissing vereiste. Het onverschillige hield geen handelen of nalaten in, slechts het ontbreken van een noodzaak om te kiezen.

Met de tijd verschoof die neutraliteit naar het terrein van gevoeligheid, en vandaar naar verantwoordelijkheid. Het onverschillige hield op te zijn wat niet tot handelen dwong, en werd het gebaar van wie er bewust voor kiest niet te reageren, niet betrokken te raken, zelfs als iets aanwezigheid vraagt. Een vorm van nalatigheid die, hoewel passief van aard, reële gevolgen begon te hebben. Wat werd nagelaten, wat werd gepasseerd, begon te wegen.

In de twintigste eeuw wordt deze verandering onontkoombaar. De politieke en morele catastrofes van die tijd — concentratiekampen, atoomaanvallen, gedwongen ballingschappen, genocides, dictaturen — transformeerden de perceptie van passiviteit radicaal. Tussen de Eerste en Tweede Wereldoorlog worden meer dan 80 miljoen doden geschat. Die schaal van vernietiging, samen met voorheen ongeziene zichtbaarheid van menselijk lijden — dankzij pers, fotografie en later film — dwongen tot een ethische herevaluatie: niet handelen, niet spreken, geen stelling nemen werd geen neutraal gebaar meer. Het was in veel gevallen een manier om met stilte te ondersteunen wat anderen met geweld uitvoerden.

Sindsdien draagt onverschilligheid die erfenis met zich mee. Zoals Elie Wiesel, overlevende van de Holocaust, schreef: “Het tegenovergestelde van liefde is niet haat, maar onverschilligheid.” Deze zin steunt niet op de psychologie van affecten, maar op een ethiek van betrokkenheid. De echte kloof zit niet in het conflict, maar in het vermogen om te kijken zonder te zien, weten zonder in te grijpen, horen zonder te reageren.

De naoorlogse periode heeft niet alleen het politieke landschap van de eeuw hertekend: ook het ethisch gewicht van bepaalde woorden veranderde. In een context van maatschappelijk herstel, uitbreiding van rechten en opbouw van de verzorgingsstaat werden concepten als “engagement”, “solidariteit” of “collectieve verantwoordelijkheid” centraal, terwijl onverschilligheid werd gelezen als een onaanvaardbare vorm van verlating. Het ging niet langer om afstand: het was het symptoom van een morele verbrokenheid, het falen van menselijke verbondenheid.

Dat historische moment, waarin een nieuw pact tussen individu en gemeenschap, tussen geheugen en politiek werd gesmeed, maakte van onverschilligheid een structureel probleem. Het gaat niet enkel om niet-handelen, maar om het besef dat wat men nalaat, ook de wereld vormt.

Onverschilligheid als vorm van emotioneel evenwicht

Na de Tweede Wereldoorlog werd onverschilligheid in het moreel bewustzijn gegrift als een ethisch onaanvaardbaar gebaar. Die betekenis bleef enige tijd bestaan, gedragen door het discours van collectieve verantwoordelijkheid. Betrokken raken bleef een waarde: niet als heldendom, maar als minimale vorm van erbij horen.

Maar met de neoliberale wending en de groeiende individualisering van levenswijzen begon dat principe aan kracht te verliezen. De geëngageerde mens werd verdrongen door het individu dat zichzelf alles verschuldigd is. De ethiek van verbondenheid verloor terrein aan de logica van het ik als project. In die context werd onverschilligheid niet langer gezien als teken van ontkoppeling, maar als symptoom van volwassenheid. Niet betrekken, niet blootstellen, geen last dragen van het ander werd gepresenteerd als zelfzorg, evenwicht of emotionele intelligentie.

In de hedendaagse cultuur, gefocust op het individu als zelfregulerend systeem, verschijnt onverschilligheid vermomd als voorzichtigheid. Uitspraken als: “Ik heb daar geen tijd voor”, “Ik moet voor mezelf zorgen”, “Ik moet mezelf prioriteit geven” zijn alledaags. De band met de ander wordt ervaren als een bedreiging voor het innerlijk evenwicht, als overbodige last of afleiding van eigen doelen. De opdracht is duidelijk: kijk naar jezelf. Alles wat niet direct bijdraagt aan persoonlijk welzijn — of aan de digitale presentatie daarvan — is inwisselbaar geworden.

Deze terugtrekking is niet alleen een verdediging: het is een sociaal gewaardeerd model. Duurzaam engagement met andermans lijden past niet bij het ideaal van efficiëntie, performance en afgeschermd welzijn. In een wereld waar tijd wordt gemonetariseerd, emoties worden gereguleerd en connecties worden beheerd, wordt betrokken raken een rekenfout.

Het hedendaagse ik heeft van onthouding een deugd gemaakt. Niet antwoorden, geen positie innemen, niet vasthouden wordt gezien als volwassenheid. Dit ik, volledig autonoom in gedachten, is specialist geworden in het uitschakelen van andermans roep. Ziet, maar reageert niet. Begrijpt, maar laat zich niet raken. Herkent, maar laat zich niet onderbreken. Het is geen kilheid, maar emotionele efficiëntie: maximaliseert middelen, reguleert blootstelling, vermijdt conflict.

Zo bouwt men aan een gebarricadeerd, gereguleerd ik, consistent met zijn eigen emotionele efficiëntiehandleiding. Een ik dat noch haat, noch afwijst, maar zich ook niet laat raken. Intervenieert niet, beweegt niet, reageert niet. Herhaalt eigen gebaren, bevestigt eigen waarden, versterkt eigen oordelen.

Een ik dat zich zo goed beschermt tegen blootstelling dat het uiteindelijk nergens bij betrokken raakt. Het perfecte subject van nu: zelfredzaam, beheerst, ondoordringbaar.

Onverschilligheid als ontkenning van verschil

Er is nog een andere, meer structurele vorm van onverschilligheid, die direct verwijst naar de oorspronkelijke etymologie: geen verschil maken. Deze vorm wijst niet af, verlaat niet en valt niet rechtstreeks aan. Hij kijkt gewoon niet. Ziet de ander niet als ander. Absorbeert, vertaalt, interpreteert de ander vanuit de eigen schema’s. Het is de logica van wie niet luistert omdat hij denkt al te weten wat de ander zal zeggen. Van wie andermans leed negeert omdat het niet op het eigen lijkt. Daarom is de meest voorkomende reactie op het andere niet frontale afwijzing, maar vereenvoudiging, neutralisering.

Een van de meest voorkomende vormen van onverschilligheid is pathologisering. Het is geen belediging of directe uitsluiting, maar het verschuiven van verschil naar een domein waarin het geen legitimiteit bezit. Wat een ethische positie zou zijn, een andere manier van voelen of handelen, wordt gezien als disfunctie, als stoornis, als klinische pathologie. Zo wordt gevoeligheid zwakte, opoffering onzekerheid, volharding een dwangstoornis. Het afwijkende gebaar wordt gediagnosticeerd en haar waarde ontzegd.

Een andere veelvoorkomende modus is karikaturisering en bespotting, waarbij het ongemakkelijke wordt gereduceerd tot een amusante overdrijving, een onschuldige excessen. Niet het inhoudelijke verschil wordt besproken, maar het wordt zodanig vervormd dat het zijn waarde verliest. Het gebaar wordt een rariteit, een anekdote, een belachelijkheid. Deze vorm vereist geen discussie of openlijke onenigheid: het volstaat het betekenis te ontnemen, te herleiden tot karikatuur. Er is geen confrontatie, maar ook geen erkenning. Spot is niet altijd direct: soms zit het in toon, in weglating, in de lach die het conflict tot anekdote reduceert. Humor functioneert hier als een manier om affectief om te gaan met wat men niet wil verwerken.

Een subtielere vorm van onverschilligheid is het toeschrijven van onze eigen motieven aan de ander, alsof verlangen, engagement of ethisch gebaar niet buiten ons eigen denksysteem kunnen bestaan. Daar is geen spot of diagnose, maar iets geniepiger: een voorafname van begrip. Wat de ander doet of zegt wordt begrepen vanuit reeds bestaande schema’s, die het eigen standpunt stabiel houden. Het is geen onverschilligheid door afwezigheid, maar door oplegging. De ander wordt niet gezien, want men denkt al te weten wat erachter zit. Deze vorm van onverschilligheid ontkent de ander niet, maar vervangt hem door een gedomesticeerde versie.

Geconditioneerde tolerantie is een andere vorm van onverschilligheid: verschil wordt toegelaten, maar alleen onder voorwaarden. Het wordt geaccepteerd zolang het niet stoort, niet verstoort, het emotionele klimaat of het comfort van het eigen ik niet aantast. Het andere mag aanwezig zijn, maar niet actief. Er wordt een beperkte, gereguleerde, decoratieve plaats toegekend. Geen uitsluiting, maar ook geen echte openheid. Gastvrijheid wordt een controlegebaar. Er mag iets gezegd of gedaan worden, maar alleen als het geen structurele verandering in onze manieren van omgaan, organiseren of denken vereist.

Verstommen is de meest radicale vorm van deze logica. Verschil wordt niet geproblematiseerd, belachelijk gemaakt of voorwaardelijk getolereerd: het wordt gewoon genegeerd. Geen antwoord, geen registratie, geen weerklank. Het gesprek gaat verder alsof er niets is. Het gebaar wordt niet aangevallen, maar buitengesloten. Deze vorm van onverschilligheid vraagt geen confrontatie of rechtvaardiging: ze wordt opgelegd door afwezigheid. Geen schandaal, geen confrontatie, maar evenmin verbondenheid.

En hetzelfde proces herhaalt zich op mondiale schaal. Onverschilligheid wordt een perceptuele structuur van de wereld. Geweld wordt geaccepteerd als het ver weg is, corruptie als het stabiel is, onrecht als het de routine niet verstoort. Vernietiging wordt gerationaliseerd als strategie, armoede als ongeluk, oorlog als noodzaak. De geopolitiek van onverschilligheid is niet negationistisch. Er is geen leugen nodig: juiste namen volstaan. De agressor wordt "dominante actor", oorlog een "strategische interventie", honger een "voedselcrisis" en bezetting een "internationale aanwezigheid".

In dat kader is de ander werkelijk als ander erkennen — als onherleidbaar, niet-instrumenteel, overrompelend — nutteloos, zelfs gevaarlijk. Want dat kan betrokkenheid eisen, verandering van positie, herverdeling van tijd of affect. Daarom is de efficiëntste manier om met de aanwezigheid van de ander om te gaan: hem niet onderscheiden. Hem reduceren tot het bekende, onze motivaties op hem projecteren, hem tot een variatie van hetzelfde maken.

De ander waarlijk erkennen betekent accepteren dat we hem nooit volledig zullen begrijpen. Dat hij niet in onze categorieën past. Dat hij redenen, pijnen, geneugten en tijden heeft die ons vreemd zijn.

Maar we leven in een cultuur die beloont wat snel is uit te leggen, goed voelt, het ik bevestigt. Het andere is cognitief belastend, emotioneel riskant en sociaal ongemakkelijk. Daarom schakelen we het uit, ook al haten we het niet.

En juist in dat uitschakelen wordt onverschilligheid definitief. Niet omdat we ons uit de wereld terugtrekken, maar omdat we erin blijven zonder door iets geraakt te worden. De wereld eindigt niet door teveel lawaai. Hij eindigt door het ontbreken van verstoring. Door een goed gereguleerd zwijgen, dat niet schreeuwt, niet discussieert, niet bevraagt.

We staan niet voor een explosie, maar voor een gestage slijtage. Een wereld die uit elkaar valt zonder zijn stem te verheffen, is geen wereld in vrede: het is een verdoofde wereld. Onverschilligheid is geen gebrek aan informatie. Het is een teveel aan interpretatie vanuit het ik. Het is het onvermogen om te erkennen wat de ander doet zonder het te vertalen.

Opnieuw onderscheiden, opnieuw betrokken raken, is geen heldhaftige of epische taak. Het is slechts de radicale daad om niet alles op te laten lossen terwijl we de andere kant op kijken.

Lees verder...